Onze 23 wensen om de wet op het recht op maatschappelijke integratie te hervormen

De Ligue des droits humains, aDAS, het Collectif Solidarité contre l’exclusion en alle hieronder vermelde partnerverenigingen vragen om een herziening van het recht op maatschappelijke integratie, meer bepaald een hervorming van de wetvan 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Het doel van dit memorandum is het bestrijden van misstanden in het recht op maatschappelijke integratie en nadenken over de bestaansvoorwaarden ervan. Het zijn de minimumeisen van de ondertekende organisaties.

De organisaties wijzen op een aantal regels in de wet van 26 mei 2002 die moeten worden herzien om willekeur door de OCMW’s te voorkomen. Het recht op maatschappelijke integratie is momenteel immers niet alleen zeer voorwaardelijk, maar ook zeerwillekeurig:de regels worden verschillend toegepast naargelang de plaats waar je woont.

De verenigingen vragen de overheid te werken aan een homogene wet voor de maatschappelijke integratie en een einde te maken aan de bestaande rechtsonzekerheid. Ondanks een federaal, gemeenschaps- en gewestelijk kader voor maatschappelijke integratie hebben de OCMW’s in het land op lokaal niveau een grote autonomie in de uitvoering van dit wettelijk kader. Het handhaven van een lokaal sociaal beleid, waarvan de contouren sterk afhankelijk zijn van de raadsleden van het sociaal comité, roept ernstige vragen op bij de voornoemde verenigingen, die graag zouden zien dat er een meer homogene en rechtvaardige wetgeving zou ontstaan.

ONZE EISEN

  1.  Het gebruik van circulaires vermijden
  2. De rechthebbende op maatschappelijke integratie informeren en adviseren
  3. Het recht op maatschappelijke integratie voor alle volwassenen waarborgen
  4. het recht op maatschappelijke integratie uitbreiden tot asielzoekers en
    vreemdelingen die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven en tot personen die hun gevangenisstraf extra muros uitzitten
  5. Beperkt rekening houden met de middelen van een samenwonende met meerderjarige ascendenten of descendenten
  6. Volledige vrijstelling van kinderbijslag
  7. Beperking van het beroep op onderhoudsplichtigen om individualisering van de rechten mogelijk te maken
  8. Verduidelijking en hervorming van de aanvraagprocedure
  9. De vermogenstoets beperken tot het inkomen
  10. Het leefloon betalen op basis van één enkele maandelijkse betaling, uiterlijk op de laatste werkdag van de maand, en op een bankrekening.
  11. OCMW’s verplichten tot het bevorderen van een goede professionele en sociale begeleiding van vrijwilligers in het kader van de evaluatie van het begrip werkbereidheid, dat zelf moet worden herzien
  12. Afschaffing van het geïndividualiseerde project voor maatschappelijke integratie (GPMI)
  13. Het systeem van arbeidsovereenkomsten “artikel 60” in elke regio evalueren en het systeem op basis van die evaluatie hervormen.
  14. Controleer altijd de gezondheidsredenen van de begunstigde alvorens een besluit te nemen over de opschorting van het leefloon, en vraag de nodige certificaten alleen maar op om de impact van gezondheidsredenen op de werkbereidheid aan te tonen.
  15. Herziening van de berekening van het percentage spaargeld waarmee men rekening houdt, indexering van de bedragen van het spaargeld regels opstellen om het spaargeld te verantwoorden.
  16. Het (on)regelmatige karakter van een schenking definiëren en onregelmatige kleine bedragen van onderhoudsplichtigen vrijstellen; of deze bij voorkeur onderbrengen in de categorie spaargeld (en niet als aftrekbare inkomsten op zich), aangezien dit reeds wordt beschouwd als een aanvulling op strikt noodzakelijke inkomsten (als alternatief voor punt 15)
  17. Vereenvoudiging en herwaardering van de bedragen van de inkomsten uit arbeid die zijn vrijgesteld van de berekening van het leefloon
  18. De verblijfskosten niet langen in aanmerking nemen als voordeel in natura of als alternatief, voorzien in een forfaitaire vergoeding die minder variabele en minder bestraffende is voor de begunstigde
  19. Vrijstelling van kadastraal inkomen, op zijn minst wanneer de woning als hoofdverblijfplaats wordt bewoond
  20. Betere input en follow-up van de inspectieverslagen van de POD Maatschappelijke Integratie
  21. Naleving en verbetering van het systeem voor de toekenning van noodhulp
  22. Naleving en verbetering van de terugvorderingsprocedure
  23. De regels voor eigendomsoverdrachten herdefiniëren en eigendomsoverdrachten niet langer met terugwerkende kracht behandelen

VERKLARING VAN DE EISEN

  1. Het gebruik van circulaires moet worden vermeden. Wetten en koninklijke besluiten moeten zo duidelijk mogelijk zijn, zodat er geen ruimte is voor willekeur.

Het probleem?

Het recht op maatschappelijke integratie wordt te vaak gespecificeerd door middel van circulaires (de RMI-circulaire is een perfect voorbeeld). Deze omzendbrieven leggen regelmatig een bepaald gedrag op, niet alleen aan de OCMW’s maar ook aan de leefloongerechtigden…gedrag dat nietin dewet ofhet uitvoeringsbesluitis voorzien.Ditkomt neer op het toevoegen van voorwaarden aan de wet. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat veel van deze omzendbrieven door de Raad van State onwettig kunnen worden verklaard, vooral omdat ze een hogere norm wijzigen. Bovendien worden deze circulaires over het algemeen niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en kunnen zij dus niet worden geraadpleegd.

  1. Overeenkomstig het handvest van de sociaal verzekerden moet het OCMW de verzekerden informeren en adviseren

Het probleem?

Wanneer een aanvraag wordt ingediend, is de verstrekte informatie soms onvolledig of zelfs onjuist. Na een weigering worden aanvragers niet correct doorverwezen. Informatie over beroepsprocedures wordt niet verstrekt. Dit is dan ook cruciaal voor de verenigingen en sociale diensten die de rechthebbenden helpen.

In die zin verdient het Primabook initiatief van de POD-MI (Primabook | (mi-is.be)) navolging, evenals de nog toegankelijker (maar niet geactualiseerde) Brusselse website: ocmw-info-cpas.be. In verband met de niet-mededeling van de mogelijkheid tot het aantekenen van beroep en om de juridische geschillen te beperken, vragen wij de federale overheid ook na te denken over de oprichting van een federale bemiddelingsdienst, die omwille van de federale bevoegdheden gerechtvaardigd zou kunnen zijn en meer onafhankelijkheid biedt dan de bemiddelingsdienst van het OCMW. Wij vragen ook aan de gemeenschaps- en lokale overheden om de rol van de ombudsdienst van het OCMW (wanneer die bestaat) te verduidelijken: deze dienst moet onafhankelijk werken en mag een sociaal verzekerde niet ontmoedigen om een rechtsvordering in te stellen.

  1. Het recht op maatschappelijke integratie moet voor alle volwassenen worden gewaarborgd. De praktijk van OCMW’s om dit recht te ontzeggen aan jongeren die zich niet in een situatie van gezinsbreuk bevinden, moet worden tegengegaan.

Het probleem?

Sommige OCMW’s stellen de onwettige eis dat de jongere zich buiten het gezin bevindt om recht te hebben op een inkomen. De toegang tot autonomie voor jongeren is een cruciaal punt voor hun maatschappelijke integratie. De moeilijke of onmogelijke toegang tot het leefloon is een van de ernstigste en meest voorkomende problemen. Bovendien kan het onderscheid tussen het recht op een inkomen voorjongeren onderde 25 jaar(afhankelijk van een arbeidscontract of een GPMI) en de anderen niet worden gerechtvaardigd.

Daarom moet de wet op dit punt worden herzien en moeten de praktijken van de OCMW’s met betrekking tot de onwettige voorwaarde “gezinsbreuk” worden bestreden.

  1. Het recht op maatschappelijke integratie moet worden uitgebreid tot verschillende categorieën mensen

Het probleem?

Het equivalent leefloon, toegekend aan asielzoekers en vreemdelingen die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, is nog steeds niet gelijkwaardig aan het leefloon. Dit moet worden rechtgezet, met behoud van 100% federale terugbetaling in afwachting van de inschrijving in het bevolkingsregister.

Daarom moet het recht op maatschappelijke integratie worden uitgebreid tot personen die als vreemdeling zijn ingeschreven en een equivalent leefloon ontvangen. Het moet ook worden uitgebreid tot personen die hun gevangenisstraf ,extra muros, onder elektronisch toezicht uitzitten en dus op de lijst van gevangenen blijven staan: vandaag zijn deze personen (in tegenstelling tot degenen die onder elektronisch toezicht staan en een autonome straf hebben) uitgesloten van het leefloon, zonder geldige reden.

  1. Indien de aanvrager samenwoont met een of meer meerderjarige verwanten van de eerste graad, dient het OCMW slechts in beperkte mate rekening te houden met :

– de middelen van verwanten (ouders en/of kinderen van de aanvrager), d.w.z. wanneer zijeenbepaaldbedragoverschrijden(zierooster),terwijldeouders tocheenindividueel minimuminkomen hebben,

– alsmede de – gehele of gedeeltelijke – middelen van de ouders wanneer de jongere kinderbijslag ontvangt en student is.

Het probleem?

Als de aanvrager samenwoont zijn/haar ouders en/of meerderjarige kinderen (bijvoorbeeld wanneer volwassenen bij hun ouders wonen of terugkeren, soms met hun eigen kinderen), kunnen de middelen van elk van deze personen volledig of gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Dit is een optie voor de OCMW’s en bijgevolg lopen de praktijken tussen hen sterk uiteen. In sommige OCMW’s wordt bijvoorbeeld automatisch rekening gehouden met de middelen van ouders en kinderen.

Dit kan ingrijpend zijn voor het gezin: het vereist bankafschriften en bewijzen van alle inkomsten en uitgaven van de aanvrager en de samenwonende ouder of het kind. Bovendien kan het automatisch meetellen van de middelen van ouders of kinderen problemen veroorzaken, zoals het verminderen van de autonomie van de begunstigde, het bemoeilijken van de relaties met familieleden of het ontnemen van kansen op werk. Meer in het algemeen is het in aanmerking nemen van de middelen van bloedverwanten in de eerste graad in opgaande en/of neergaande lijn in strijd met de individualisering van het recht op maatschappelijke integratie wanneer dit leidt tot een leefloon categorie samenwonenden.

  1. Het buiten beschouwing laten van kinderbijslag moet het beginsel worden. Alle kinderbijslag moet in de praktijk volledig worden vrijgesteld.

Het probleem?

Soms is de kinderbijslag vrijgesteld , maar niet altijd. Ten eerste is dit het geval voor de kinderbijslag die de jongere zelf ontvangt. Ten tweede, als het OCMW rekening houdt met de middelen van de samenwonende ouders van de aanvrager, is het Hof van Cassatie van oordeel dat de kinderbijslag een middel is van de ouders en niet van de jongere (die deze niet ontvangt). Bijgevolg kan het OCMW de kinderbijslag in aanmerking nemen, zoals elke andere vorm van inkomen van de samenwonende ouder, ook al gebruikt deze laatste die bedragen niet voor zichzelf.Het Hof van Cassatie wordt sterk bekritiseerd door de doctrine die enerzijds herinnert aanhetbeginseldat errekening moetworden gehouden metde werkelijkemiddelen van de aanvrager (de kinderbijslag is geen bedrag waarover de begunstigde daadwerkelijk beschikt) en anderzijds dat de regels voor de berekening van de middelen van de ouder niet mogen verschillen van die voor de inaanmerkingneming van de middelen van de aanvrager. Ten slotte wordt in sommige OCMW’s rekening gehouden met de kinderbijslag                                                                                                  van bloedverwanten in opgaande lijn, ook al zijn deze bestemd voor de broers en/of zussen van de aanvrager.

  1. In het kader van de individualisering van de rechten moet het beroep op onderhoudsplichtigen worden beperkt

Het probleem?

Ten eerste is de verwijzing naar de onderhoudsplichtigen door het facultatieve karakter hiervan, dat sinds 1974 bestaat, de oorzaak van enorme verschillen in behandeling tussen de OCMW’s (bijvoorbeeld: wanneer een persoon die een jaar lang door een OCMW is bijgestaan – zonder beroep op de onderhoudsplichtigen – verhuist, eist het OCMW dat aan zijn nieuwe verblijfsadres is verbonden, dat zijn ouders een onderhoudsbijdrage van 690 euro per maand betalen).

Ten tweede druist de onderhoudsplicht in tegen het idee van individualisering van de rechten en het recht op privacy van de aanvragers. Deze eis tot verwijzing naar de onderhoudsplichtigen komt echter niet voor bij andere sociale uitkeringen (IVT, IGO).

Ten derde, als het recht op maatschappelijke integratie het laatste vangnet is, is het gebruik van onderhoudsplichtigen een belangrijke oorzaak van niet-gebruik van rechten – waartegen de POD Maatschappelijke Integratie strijdt – en worden de gevolgen van armoede en werkloosheid afgewenteld op gezinnen. Uiteraard ontmoedigen wij de solidariteit binnen het gezin niet. Maar in de praktijk roept deze facultatieve doorverwijzing veel problemen op en heeft ze vaak tot gevolg dat de familieband wordt verbroken. Terwijl de familie waardevol is om de aanvrager te helpen bijzijn ontwikkeling en integratie.Maatschappelijk werkers nemen vaak contact op met de onderhoudsplichtigen zonder de aanvrager te informeren over het recht op maatschappelijke integratie, wat ook problematisch is in termen van het beroepsgeheim.

Ten vierde verwarren veel OCMW’s de procedure voor doorverwijzing naar de OCMW’s (a priori en facultatief) met de terugvorderingsprocedure (a posteriori en verplicht, maar veel beperkter dan de doorverwijzing en niet altijd mogelijk om redenen van billijkheid).

Ten vijfde zijn er veel situaties waarin de tussenkomst van ouders wordt gevraagd wanneer de jongere geen onderwijs meer volgt. Dit leidt ertoe dat ouders moeten tussenkomen wanneer de kinderen dat niet willen en geen opleiding meer volgen. In omgekeerde richting vragen OCMW’s aan kinderen om tussenbeide te komen om hun ouders te helpen en ontzeggen ze zo de ouders het recht op maatschappelijke integratie of verminderen ze hun inkomen.

Ten zesde houden de OCMW’s, overeenkomstig artikel 4, § 2, van de wet van 26 mei 2002, geen rekening met alimentatieovereenkomsten, met name in geval van echtscheidingen met wederzijdse instemming.

Als het beroep op de onderhoudsplicht beperkt gaat worden, moet er rekening gehouden worden met de jongere die nog onderwijs volgt (en dus nog kinderbijslag ontvangt en student is), omdat het gerechtvaardigd is om in dat geval de ouders te vragen tussen te komen. De ondertekenende organisaties pleiten ook voor de invoering van een voldoende hoge inkomensgrens om te voorkomen dat extreem rijke onderhoudsplichtigen hun familieleden niet helpen. Maar ook in dit geval moet een verplichte rechtvaardiging worden gehandhaafd om geen beroep te doen op deze onderhoudsplichtigen voor zover dit spanningen of conflicten in het gezin veroorzaakt. Ten slotte moet ook het systeem van verwijzing naar en inning van alimentatieverplichtigen worden herzien. De     overeenkomsten        inzake onderhoudsbetalingen moeten systematisch tegenhet OCMW kunnen worden ingeroepenen artikel 4, § 2, van de wet van 26 mei 2002 moet worden geschrapt.

    1. De aanvraagprocedure moet worden verduidelijkt en hervormd.

    De problemen?

    A. De ontvangstbevestiging wordt vaak pas gegeven op de dag van de afspraak met de maatschappelijk werker en niet op de dag van ontvangst van de aanvraag.
    B. De aanvragen worden zelden geregistreerd in het register van aanvragen, dat als bewijs kan dienen in geval van verlies of niet-afgifte van een ontvangstbewijs.
    C. Bovendien kan het sociaal onderzoek invasief zijn en dus onverenigbaar met het respect voor hun privéleven. In sommige OCMW’s is het de aanvrager zelf die zijn sociaal onderzoek in de vorm van een formulier van tien bladzijden moet invullen om te hopen dat zijn aanvraag wordt behandeld!
    D. De OCMW’s vragen de aanvrager te veel informatie terwijl ze die niet nodig hebben. Sinds 2002 hebben de OCMW’s geleidelijk aan toegang gekregen tot heel wat informatie via de kruispuntbank en zouden ze de aanvrager van het recht op maatschappelijke integratie niet langer mogen vragen om een volmacht te ondertekenen om informatie op te vragen aan organisaties die deze informatie al verstrekken. De wet ‘only once’ moet nageleefd worden en reeds verstrekte bewijsstukken mogen niet opnieuw worden gevraagd wanneer ze elders kunnen worden opgevraagd (zie punt 9.).
    E. In het kader van het sociaal onderzoek kunnen inbreuken op de privacy ook voorkomen bij huisbezoeken,die soms doorandere personen dan de maatschappelijk werker worden afgelegd. Verplichte, onaangekondigde of invasieve huisbezoeken (bezoeken aan de hele woning, inclusief badkamers en slaapkamers, openen van kasten en koelkasten, enz.) Maatschappelijk werkers moeten een officiële identiteitskaart hebben wanneer zij bij de woning aankomen. Leefloongerechtigden moeten deze bezoeken kunnen eisen voor elke reden die het moeilijk of onmogelijk maakt om naar het OCMW zelf te komen voor een gesprek. Het wettelijk kader van huisbezoeken voor werklozen is minder problematisch dan het recht op sociale integratie…
    F. De persoon begrijpt het besluitvormingsproces van het OCMW niet. Het OCMW moet duidelijke informatie geven over de behandeling van de aanvraag, interne besluitvormingsproces, het organigram, de regelgeving inzake sociale bijstand (aanvullende hulp bovenop het leefloon, medische kaart, richtlijnen, enz.) en de manier waarop de aanvraag moet gebeuren.
    G. Het recht om te worden gehoord varieert sterk in de praktijk, ondanks de teksten en de jurisprudentie die verwijzen naar het belang van dit recht. Het is niet ongewoon dat dit recht wordt vermeld om zich in te dekken tegen een eventuele vernietiging van de beslissing door de arbeidsrechtbank, maar zonder dat de betrokkene zijn situatie echt kan toelichten. Wanneer het hoorrecht plaatsvindt, varieert de ontvangst door de raadslieden sterk, van welwillendheid tot regelrechte vijandigheid, en soms worden totaal ongepaste vragen gesteld. Bovendien is het recht om gehoord te worden in de wet alleen van toepassing op aanvragen voor het leefloon. Dit sluit alle aanvragen uit voor sociale bijstand in aanvulling op het leefloon (gezondheidszorg, huurwaarborg, energiebijstand, terugvordering van de steun bij onderhoudsplichtigen, enz.), en andere steun die ook onder de wettelijke opdrachten van het OCMW valt (installatiepremie, referentieadres, dringende medische hulp, verwarmingstoelage, in orde brengen van de ziekteverzekering, enz.) Het recht om te worden gehoord is evenmin van toepassing op aanvragen voor financiële steun gelijkgesteld met het leefloon die worden ingediend door personen die niet in het bevolkingsregister maar in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven. Sommige OCMW’s en rechterlijke instanties breiden het recht om te worden gehoord uit tot alle vormen van bijstand, maar bij gebrek aan een wettekst die daarin voorziet, wordt dit aan hun oordeel overgelaten.
    Het beginsel van hoor en wederhoor moet daadwerkelijk worden gewaarborgd, met name door via de volgende maatregelen te garanderen:

    • •garanderen dat het recht om gehoord te worden plaatsvindt (via een ad hoc controlesysteem)binnen een redelijke termijn,en dat de hoorzitting schriftelijk wordt aangekondigd,ten minsteeenweek van tevoren,endat daarbij rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van de persoon zelf en de persoon die hem begeleidt;
    • •het recht om te worden gehoord uitbreiden tot alle beslissingen inzake individuele steun en tot alle categorieën van gebruikers;
    • •een specifiek document opstellen dat aan de aanvrager wordt verstrekt en waarin de draagwijdte van het hoorrecht, zoals omschreven in de wetgeving, duidelijk wordt uitgelegd (met vermelding van de modaliteiten van het hoorrecht en de wijze waarop dit dient te geschieden);
    • •termijnen vaststellen voor de bepaling van de datum waarop de aanvrager gehoord kan worden en voor de kennisgeving ervan aan de aanvrager (ten minste één week voor de datum van het hoorrecht);
    • een ontvangstbevestiging van het verzoek om te worden gehoord verstrekken ongeacht de wijze waarop het is ingediend;
    • het recht om de hoorzitting zonder vooroordelen te weigeren;
    • •het recht om zich te laten vergezellen door de persoon van zijn keuze en het recht om zich te laten vertegenwoordigen (d.w.z. te laten verdedigen door de persoon van zijn keuze zonder de verplichting om zelf aanwezig te zijn);
    • •het recht op een hoorzitting vóór of na het nemen van de beslissing (om deze in voorkomend geval te herzien), ongeacht of reeds beroep is ingesteld bij de Arbeidsrechtbank. In de praktijk voorzien sommige OCMW’s reeds in een dergelijke hoorzitting nadat de beslissing is genomen en het zou passend zijn dat de gebruiker de mogelijkheid heeft om te worden gehoord binnen maximaal drie maanden nadat een door hem betwiste beslissing is genomen;
    • ten slotte zou er een verslag gemaakt moeten worden en aan de betrokkene meegegeven worden, zonder hij of zij niet verplicht is het te ondertekenen en de mogelijkheid heeft om binnen een voldoende lange termijn opmerkingen door te geven.

    H. Depersoon krijgt geenkopie vanalledocumenten die hijondertekent.Inhet algemeen is de toegang tot het individuele dossierin vele OCMW’s nog steeds een strijd en wordt ze niet aangeboden op initiatief van het OCMW (bijvoorbeeld in de prejuridische fase bij de uitoefening van het hoorrecht). Hoewel de meesten van hen het niet meer weigeren wanneer het door een juridische dienst of een advocaat wordt gevraagd in geval van een hoorzitting voor de Raad, is dit niet het geval voor andere begeleiders, noch voor mensen die er zelf om vragen. De wetten op de openbaarheid van bestuur en het Handvest van de sociaal verzekerden vereisen echter veel actievere stappen van de OCMW’s.
    De organisaties eisen:

      • •een effectieve toegang tot het administratiefdossieren kopieën van de laatste sociale verslagen, op elk moment, gratis, binnen een termijn van maximum één maand, via een schriftelijke aanvraag met de informatie en modaliteiten die worden overgemaakt bij de indiening van een aanvraag voor sociale bijstand bij het OCMW.
      • •Zij vragen tevens dat een recht op voorafgaande toegang tot het dossier duidelijk wordt vermeld in het bovengenoemde algemene document, met vermelding van de contactgegevens van de persoon of dienst waarbij de aanvraag moet worden ingediend.
      • Ook moet het raadplegen van het dossier zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt doormeerdere dagenvan tevoren toegangte verlenenen opverzoek kopieën van belangrijke documenten te verstrekken.
      • Voorts moet, wanneer dit de toegang tot de rechter vergemakkelijkt, worden nagegaan ofhet dossierin elektronische vorm kan worden toegezonden,zoals het geval is bij een beroep bij de Arbeidsrechtbank.
      • Ten slotte moet het recht van toegang tot het dossier worden uitgebreid tot de begeleidende persoon, op basis van een volmacht van de gebruiker.
        I. De besluiten zijn vaak onvolledig en niet gemakkelijk te begrijpen, vooral wat de inkomsten betreft (met name de berekening van de beroepsinkomsten). De besluiten moeten beter worden gemotiveerd en de POD MI moet bindende modellen aanreiken om de problemen die ze op het terrein zien te verhelpen.

      9. De middelentoets moet worden beperkt tot het inkomen

      Het probleem?

      Er wordt regelmatig gevraagd om bewijsstukken die online toegankelijk zijn via de Kruispuntbank en het Bevolkingsregister of die niet nodig zijn voor het inkomensonderzoek. We vragen dat de Only Once wet wordt gerespecteerd en dat de documenten niet nog eens worden opgevraagd. Bovendien hebben deze bewijsstukken niet alleen betrekking op het inkomen van de persoon, maar ook op zijn budget en uitgaven (waaronder het verbruik van water, gas en elektriciteit). De rechtspraak inzake rekeninguittreksels moet worden geëerbiedigd en verzoeken om rekeninguittreksels moeten worden beperkt tot die welke kunnen worden gebruikt om middelen aan te tonen. Een onduidelijk verzoek om alle rekeninguittreksels moet uitdrukkelijk bij verordening worden verboden.

      10. De betaling mag slechts eenmaal per maand worden verricht, uiterlijk op de laatste werkdag van de maand, op een bankrekening, tenzij er gerechtvaardigde uitzonderingen zijn en/of de aanvrager daarom verzoekt. Indien er geen bankrekening beschikbaar is, dient rekening te worden gehouden met de situatie van de persoon (bijv. persoon die nietbij een bank is aangesloten,dakloze,enz.). De berekening van het leefloon zou ook gebaseerd kunnen worden op de vorige maand en niet op de lopende maand.

      Het probleem?

      Het OCMW heeft de keuze van de betalingswijze (en de modaliteiten ervan) en betaalt bovendien soms erg laat. Zo worden mensen die werken vaak gestraft en krijgen ze hun leefloon te laat. Het OCMW moet ook rekening houden met het geval dat de persoon geen bankrekening heeft.

      Illustratie:Een OCMWhad geweigerd hetleefloon tebetalen aaneenpersoon die zijnrekening had afgesloten omdat het OCMW al zijn rekeningafschriften had geraadpleegd. Het Arbeidshof van Brussel erkende dat de persoon niet mocht worden gedwongen om een bankrekening te hebben.

      11. OCMW’s zouden moeten worden verplicht om kwalitatief hoogstaande professionele- en sociale ondersteuning te bevorderen, voor zij die willen, in het kader van de evaluatie van het begrip “werkbereidheid”, een voorwaarde die zelf moet worden herzien.

      Het probleem?

      De werkbereidheid is één van de meest arbitraire voorwaarden voor de toekenning van het leefloon met grote verschillen van toepassing tussen de OCMW’s onderling. De niet-naleving van deze voorwaarde heeft tot gevolg dat vele OCMW’s het leefloon intrekken wegens werkonwilligheid (in plaats van “slechts” een sanctie op te leggen zoals het Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie (GPMI) toelaat, ondanks alle bedenkingen die we op het GMPI hebben). De huidige activering leidt er te vaak toe dat leefloongerechtigden gedwongen worden precaire banen te aanvaarden (met lagere werkgeversbijdragen, lage lonen of zelfs slechte arbeidsvoorwaarden) in ruil voor het behoud van het recht op een leefloon. Deze jobs moeten echte jobs zijn, aangezien stages steeds vaker voorkomen (slecht betaald of onbetaald, met zeer weinig sociale bescherming). In sommige gevallen worden de begunstigden gedwongen nevenactiviteiten te aanvaarden, uitsluitend om te voldoen aan de werkbereidheidsvoorwaarde.

      De werkbereidheid moet worden onderzocht rekening houdend met de algemene situatie en verwachtingen van de persoon. Hoewel het vaak door de OCMW’s wordt vergeten, moet de werkbereidheid anders worden geanalyseerd dan hoe het gebeurt in het kader van een werkloosheidsuitkering. OCMW vergeten ook vaak dat de in aanmerking te nemen periode pas kan beginnen op het moment van de aanvraag en geen betrekking kan hebben op de periodedaarvoor.Hetzoekennaarwerk ofdejobzelfmoetaangepastzijnaandepersoonlijke capaciteiten. Het begrip aangepaste arbeid moet opnieuw worden gedefinieerd om beter te kunnen worden toegepast. Ten slotte hanteert de wet verschillende voorwaarden voor personen ouder dan 25 jaar en jonger dan 25 jaar, met een hogere eis voor de laatsten om een baan te vinden, want zogenaamd gemakkelijker. Wij vragen dat dit onderscheid wordt afgeschaft.

      Een hervormde wet zou een deel van de vaagheid van verschillende circulaires verduidelijken en rekening houden met de jurisprudentie wat betreft de interpretatie van de term “bereidheid” met een evenwichtiger kader voor de beoordeling van de “gezondheid” van de gebruiker (zie punt 14) en het begrip “billijkheid”. Ter herinnering, het recht op maatschappelijke integratie is één van de laatste vangnetten om de rechthebbende in staat te stellen te overleven. De werkbereidheid zou dus de lichtste voorwaarde moeten zijn om te controleren, maar ook de minst generaliseerbare, zich baserend op kant-en-klare categorieën van rechthebbende. Zelfs rechters missen het kader om te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan.

      Het lijkt ons ook van cruciaal belang te garanderen dat er publieke diensten bestaan die rechthebbende op een leefloon daadwerkelijk helpen om opnieuw bestaanszekerheid op te bouwen: de OCMW’s moeten in de mogelijkheid zijn om de leefloongerechtigde alle nodige hulp te kunnen bieden, ook op weg naar werk, of de betrokkene doorverwijzen naar de regionale tewerkstellingsdiensten om een geschikte job met goede arbeidsvoorwaarden te vinden. Er zouden gegevens moeten worden bijgehouden over het soort banen dat wordt gevonden. In het algemeen is het essentieel dat OCMW’s zowel kwalitatieve sociale ondersteuning alsondersteuning indezoektochtnaarwerk kunnenbieden,zonderte moeten kiezen voor het een of het ander. Met instemming van de rechthebbende op een leefloon zouden andere vormen van ondersteuning aangeboden moeten worden, eventueel via verenigingen die outreachend werken, om zo tot een consensus te komen tussen het OCMW en de leefloongerechtigde over wat eerstgenoemde kan aanbieden om de leefloongerechtigde te helpen “werkbereidheid aan te tonen”.

      12. Het GPMI (Geïndividualiseerd Project Maatschappelijke Integratie) moet worden afgeschaft.

      Het probleem?

      Het GPMI, dat sinds 1993 bestaat, is het kenmerk van de contractualisering van het recht op maatschappelijke integratie. Het kan betrekking hebben op de sociale of professionele activering vandepersoon. Ineersteinstantie werdde contractualisering ervan enkelopgelegd aan personen jonger dan 25 jaar. Sinds 2016 bepaalt de wet dat het GPMI systematisch samenvalt met de toekenning van een leefloon, tenzij het OCMW bij gemotiveerde beslissing vaststelt dat de persoon om gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan deelnemen aan een geïndividualiseerd project voor sociale integratie.

      In de praktijk is het GPMI een willekeurig instrument dat in wezen leidt tot controle van de leefloongerechtigden. De inhoud van het GPMI is niet echt bij wet geregeld en de verschillen in behandeling tussen de OCMW’s zijn opvallend. Het GPMI maakt het mogelijk om een onbeperkt aantal subjectieve en willekeurige voorwaarden op te leggen die in de praktijk worden toegevoegd aan de wettelijke toekenningsvoorwaarden, terwijl het wettelijk alleen geacht wordt de voorwaarde van werkbereidheid te concretiseren. Het leidt tot sancties en intrekking of weigering van het leefloon in geval van weigering om het GPMI te ondertekenen. Hierdoor leidt het ook tot situaties van niet-gebruik van rechten.

      Bovendien is het niet ontworpen om rekening te houden met de fundamentele ongelijkheid tussen de partijen, waarbij de leefloongerechtigde zich in een situatie van totale afhankelijkheid bevindt van een instelling waarvan de toekenning of weigering van een leefloon afhangt. Over het project wordt niet echt onderhandeld. Bij gebrek aan inkomsten hebben de leefloongerechtigden een dringende economische behoefte. Deze behoefte en de dreiging van niet-toekenning van het leefloon dwingen hen het project te ondertekenen. Dit leidt tot een groot verschil in behandeling en ongelijkheid tussen burgers wat betreft de toegang tot een overlevingsinkomen.

      Ten slotte leidt het soms tot een aanzienlijke inbreuk op het recht op privacy van het individu. Dit zijn enkele voorbeelden van verplichtingen die we al zijn tegengekomen: het nemen van anticonceptie, het ondergaan van bepaalde medische en psychologische zorg, het voldoen aan bepaaldedoelstellingen met betrekking tothetgezinsleven ofde opvoeding van kinderen.

      13. Het systeem van “artikel 60”-arbeidsovereenkomsten moet in elke regio worden geëvalueerd en het systeem moet op basis van deze evaluatie worden hervormd.

      Het probleem?

      Deze arbeidsovereenkomsten leiden tot een substatus van werknemer (altijd met een contract van bepaalde duur; geen zogenaamde werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid; minimumloon of gegarandeerd minimum maandinkomen, terwijl dit in de openbare dienstniet isvoorzien),zehoudengeen rekening met kwalificaties;soms gevaarlijke banen; stageperiode voorafgaand aan het contract (art. 60). Zij dragen bij tot de onzekerheid van de werkgelegenheid in de plaatselijke openbare diensten (gemeentebesturen, gemeentelijke diensten, OCMW’s, rusthuizen, enz.) Bovendien leidt het aanbieden van deze contracten in de privé sector tot een koehandel van werknemers. Ten slotte is er bij verschillende OCMW’s een gebrek aan transparantie over de voorwaarden van de “terbeschikkingstelling” (lijst van werkgevers die een artikel 60 tewerkstelling aanbieden, bedrag van de tussenkomst die de werkgever aan het OCMW betaalt, vaststelling van de gunningscriteria, einde aan de concurrentiestrijd tussen kandidaten voor een artikel 60).

      Een echte evaluatie van deze contracten in elk gewest lijkt noodzakelijk, evenals de oprichting van een platform dat de bestaande werkaanbiedingen in elk OCMW weergeeft om zo een betere transparantie te garanderen, ook in de genderanalyse van de opgelegde functies (bv. ondergekwalificeerde schoonmaakfuncties voor vrouwen).

      14. De gezondheidssituatie van de leefloongerechtigde moeten altijd worden bekeken alvorens te besluiten het leefloon op te schorten. En dit door alleen de nodige attesten te vragen die gezondheidsproblemen staven als billijkheidsreden voor de voorwaarde werkbereidheid. Men zou ook hier,zoals bij de aansprakelijkheidsverzekering hetgeval is, een arbitragemogelijkheid moeten invoeren in geval van onenigheid tussen het advies van de door het OCMW aangewezen arts en die van de leefloongerechtigde (of zijn behandelende arts) over zijn gezondheidstoestand die hem al dan nietin staat stelt te werken.

      Het probleem?

      Sinds de invoering van het recht op maatschappelijke integratie in 2002 kan, maar dat moet niet, het OCMW de leefloongerechtigde onderwerpen aan een medisch onderzoek door een doorhet OCMW gemandateerde en betaalde arts,ongeacht of de gezondheidstoestand wordt bevestigd door een medisch attest.Dit leidt tot grote verschillen tussen de OCMW’s: sommige beslissen binnen het OCMW over gezondheidsredenen, zonder diagnose, andere schakelen een arts in en weerandere trekken de attesten van de behandelende artsen in twijfel en eisen dat de betrokkene zich op eigen kosten naar een gespecialiseerde arts begeeft. Deze beslissing kan tot gevolg hebben dat het recht op maatschappelijke integratie wordt opgeschort indien de betrokken persoon niet voldoet aan de voorwaarde van werkbereidheid. Een dergelijk medisch onderzoek lijkt ons onontbeerlijk wanneer het OCMW de door de leefloongerechtigde aangevoerde gezondheidsredenen niet aanvaardt. Bovendien gaat de verplichting van sommige OCMW’s om volledige medische verslagen aan hen te bezorgen die soms verder gaan dan de informatie die nodig is om het bestaan van gezondheid als billijkheidsreden na te gaan, hetgeen het beroepsgeheim ondermijnt van de artsen die tegemoet komen aan de eisen van het OCMW. Ten slotte bestaat er, afgezien van de mogelijkheid van beroep in rechte, geen administratief beroep om het advies van de door het OCMW aangewezen arts aan te vechten.

      15. De manier waarop men het spaargeld in rekening brengt bij de berekening van het leefloon moet worden herzien, het bedrag van het spaargeld dat is vrijgesteld moet worden geïndexeerd en er moeten regels komen in verband met het rechtvaardigen van het spaargeld.

      Het probleem?

      Wettelijk gezien is er geen bepaling voor het gebruik van spaargeld, wat tot grote rechtsonzekerheid leidt. Vaak wordt bij de jaarlijkse controle van het dossier van de leefloongerechtigde gevraagd naar de rechtvaardiging van het bestaan van het spaargeld. Bovendien hebben deze regels tot gevolg dat de leefloongerechtigde nog kwetsbaarderwordt en dat de problemen in verband met non take-up van de rechten niet worden beperkt. Ten slotte hebben de weinige begunstigden die over een aanzienlijke spaarpotje beschikken, een fictieve rentevoet die veel hoger ligt dan bij traditionele spaarproducten. Het percentage per schijf dat als aftrekbaar inkomen wordt beschouwd,is echter sinds 2002niet gewijzigd, terwijl de rente op spaargeld bijna nul is. Boven 6.200 euro is de rente op de twee hoogste schijven zelfs zeer hoog. Daarnaast zijn de in 2002 vastgestelde bedragen nog nooit geïndexeerd.

      16. Aanvullend op punt 15 moet de (on)regelmatigheid van een schenking worden gedefinieerd en moeten onregelmatige kleine bedragen van onderhoudsplichtigen worden vrijgesteld; of bij voorkeur moeten zij als spaargeld worden aanzien (en niet als aftrekbaar inkomen op zich), aangezien deze bedragen reeds worden beschouwd als een aanvulling op de strikt noodzakelijke inkomsten.

      Het probleem?

      Momenteel zijn de giften die niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het leefloon de zogenaamde “niet-reguliere giften van een instelling of van personen die niet onder hetzelfde dak wonen als de leefloongerechtigde en die geen onderhoudsplicht jegens hem hebben”. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Bijgevolg wordt elke terugkerende schenking in aanmerking genomen, ongeacht of deze afkomstig is van een vriend of een familielid, alsook een eenmalige schenking van een familielid met een onderhoudsverplichting. Concreet houden de OCMW’s dus minimale bedragen in op het leefloon omdat ze niet als vrijgestelde middelen worden beschouwd, met name regelmatige giften van personen die geen onderhoudsplichtige zijn, onregelmatige giften van onderhoudsplichtigen, maar ook bedragen die a priori in geen enkele door de wet voorziene categorie vallen (bijvoorbeeld onregelmatige betalingen ontvangen door de amateurvoetballer). Momenteel zijn de regels dus te streng en bovendien willekeurig.

      Bovendien bestaat er geen wettelijke definitie van wat een “niet-regelmatige” schenking is, zodat de (on)regelmatigheid van schenkingen van personen die geen onderhoudsplichtige van de aanvrager zijn, onderworpen blijft aan de beoordeling van elk OCMW. Zo kan bijvoorbeeld de 50 euro die door familieleden voor de verjaardag van een begunstigde wordt geschonken,van hetleefloon worden afgetrokken,ondanks het uitzonderlijke karaktervan de schenking.

      De regel is zowel ondoeltreffend als absurd streng, aangezien het volstaat dat ouders hun schenkingen contant doen of het geld doorgeven via een kennis van hun alimentatiegerechtigde.

      Het lijkt ons dus nodig enkele richtlijnen en verduidelijkingen te geven om de regel billijker en efficiënterte maken. Onsvoorstelis om geenonderscheidmeerte makentussen schenkingen van onderhoudsplichtigen en niet-onderhoudsplichtigen, en tussen regelmatige en onregelmatige schenkingen. Deze schenkingen zullen onder de regels inzake spaargelden vallen. Deze wijziging zou tot gevolg hebben dat de ontvangers niet langer verplicht zijn geld uit de hand te ontvangen. Dit maakt de giften transparanter en vermindert aanzienlijk de willekeur die momenteel in de OCMW’s bestaat.

      17. De bedragen van de inkomsten uit arbeid die bij de berekening van het leefloon zijn vrijgesteld, moeten worden vereenvoudigd en geherwaardeerd.

      Het probleem?

      Ten eerste geldt het voordeel van de socio-professionele vrijstelling alleen voor mensen die beginnen te werken terwijl ze recht hebben op een leefloon. Het zou moeten worden uitgebreid tot mensen die werkten voordat zij een leefloon aanvroegen.

      Ten tweede is de totale duur van de socio-professionele vrijstelling beperkt tot drie jaar (max. zes in geval van spreiding), hetgeen impliceert dat het slechts om een tijdelijke situatie gaat, terwijl deeltijds werk meestal niet de eerste keuze is van de persoon zelf waardoor het verlies van het voordeel van de vrijstelling zorgt voor meer onzekerheid op de lange termijn. De beperking van de socio-professionele vrijstelling in tijd sluit aan bij de algemene logicadat het verlies van geld de leefloongerechtigden in de richting van de arbeidsmarkt zou duwen. Een recente studie over de degressiviteit bij werkloosheidsuitkeringen heeft deze bewering echter weerlegd.

      Ten derde worden bepaalde categorieën benadeeld door de wet of de daaruit voortvloeiende praktijken. Voor sommige kunstenaars gelden niet dezelfde regels als voor andere uitkeringsgerechtigden. Zelfstandigen kunnen vaak geen aanspraak maken op de socio-professionele vrijstelling of zelfs op bijpassing op hun inkomen. Rechthebbenden op een inkomen gelijkgesteld aan een leefloon hebben geen rechtsgrondslag om hun professionele inkomsten vrij te stellen. De facto huishoudens”, waarbij een van de twee werkt, en dus geen recht heeft op een leefloon categorie samenwonende, kunnen geen beroep (meer) doen op de socio-professionele vrijstelling: het totale inkomen van de partner wordt afgetrokken van het leefloon, enhierwordt geen rekening gehoudenmet deze socio-proffessionele vrijstelling.

      Ten vierde, het feit dat je ooit een opleiding hebt gevolgd ,zelfs een zeer korte, zes jaar vóór de indiensttreding of de verderzetting van een opleiding, zorgt er voor dat je volledige socio-professionele inkomsten in aanmerking wordt genomen, zonder socio-professionele vrijstelling. De gevolgen hiervan – met name voor lange opleidingen zoals alfabetisering – staan haaks op de doelstelling om mensen aan het werk te krijgen, aangezien de ontvanger geen financiële stimulans heeft om te werken. Bovendien worden zij gediscrimineerd en benadeeld.

      Concreet vragen wij:

      • dat de opleidingstoelagen volledig worden vrijgesteld zonder tijdslimiet,
      • dat de tijdslimiet voor socio-professionele vrijstelling wordt opgeheven zodat mensen niet hoeven te werken voor een totaal inkomen dat ver onder de armoedegrens ligt,
      • dat alle werknemers recht hebben op socio-professionele vrijstelling ,
      • dat de socio-professionele vrijstelling ook toegekend wordt aan degenen die reeds werken op het ogenblik dat zij het recht op maatschappelijke integratie aanvragen, met inbegrip van zelfstandigen, en met een duidelijke vermelding hiervan in de regelgeving,
      • dat het recht op socio-professionele vrijstelling ook toegekend wordt aan degenen die een equivalent leefloon ontvangen,
      • dat er, samen met een verhoging van het minimumloon, een verhoging van het vrijgestelde bedrag komt, met name voor leefloongerechtigden met personen ten laste,
      • dat er een radicale vereenvoudiging van de berekeningswijze van de vrijstelling komt  dat er een duidelijke en gedetailleerde geschreven wet komt, gepubliceerd en dus
        toegankelijk voor de leefloongerechtigden en hun belangenbehartigers (advocaten, verenigingen, vakbonden) in plaats van maatregelen per circulaire te nemen.

      18. Huisvestingskosten mogen niet langer als voordeel in natura beschouwd worden genomen als ze niet betaald moeten worden, of er moet een minder variabele en minder ingrijpende forfaitaire vergoeding voor de ontvanger ervan komen.

      Het probleem?

      Bepaalde door derden betaalde “huisvestingskosten” worden beschouwd als voordelen in natura en worden dus in aanmerking genomen als inkomsten voor de leefloongerechtigde. Zij leiden tot een, soms aanzienlijke, vermindering van het leefloon. De rechtsonzekerheid over de wijze waarop dit gedaan wordt is des te groter daar de OCMW’s wettelijk verplicht zijn het goed door een deskundige te laten taxeren, maar dit niet doen. Wanneer de taxatie door een rechterwordt verricht, gebeurt dat op forfaitaire basis, op basis van criteria zoals de staat van het goed of het belang ervan (kot, eenpersoonskamer, flat, huis, enz.) en varieert vaak tussen 150 tot 400 euro. De aftrek van de gratis huur van het leefloon kan bijzonder ernstige gevolgen hebben in steden waar de huren hoog zijn (en nog meer gezien de snelle ontwikkeling van de vastgoedprijzen).

      Huisvesting is een belangrijk middel tot bestaanszekerheid, aangezien het de stabiliteit biedt die nodig is voor een succesvolle ontwikkeling. Het is een belangrijke factor in de emancipatie van leefloongerechtigden, het niet in aanmerking nemen van de huisvestingskosten komt tegemoet aan de wettelijke doelstelling, namelijk het bevorderen van de maatschappelijke integratie van leefloongerechtigden.

      19. Het kadastraal inkomen moet worden vrijgesteld, althans wanneer de woning als hoofdverblijfplaats wordt bewoond.

      Het probleem?

      Als de leefloongerechtigde de volle eigendom of het vruchtgebruik van een onroerend goed heeft, wordt het deel van het totale kadastrale inkomen dat het vrijgestelde bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met drie. Dit bedrag wordt dan in aanmerking genomen bij de berekening van het leefloon. Het kadastraal inkomen is echter geen reëel inkomen, maar een fictief inkomen dat overeenstemt met het gemiddelde jaarlijkse netto-inkomen dat een gebouw de eigenaar ervan zou kunnen opleveren. Het bezit van een woning garandeert niet altijd dat er op huur wordt bespaard (bijvoorbeeld wanneer een gebruiker een gebouw erft dat onbewoonbaar is, niet kan worden verhuurd of moeilijk kan worden verkocht maar waardoor het leefloon echter wel daalt). De aftrek van het kadastraal inkomen kan dus voor sommige begunstigden als een dubbele sanctie werken. Anderzijds, en vooral in gevallen waarin daadwerkelijk wordt bespaard op huur, is huisvesting een belangrijke vector van bestaanszekerheid omdat zij de voor ontwikkeling onontbeerlijke stabiliteit garandeert, en een belangrijke factor vormt voor de emancipatie van de begunstigden die niet in aanmerking mag worden genomen om de wettelijke doelstelling van integratie van de begunstigden te bevorderen.

      Bovendien is het kadastraal inkomen reeds onderworpen aan de belasting op inkomsten uit onroerend goed: de eigenaar of houder van een recht op onroerend goed (vruchtgebruik, erfpacht en oppervlakte) die op zijn eigendom woont, is dus onderworpen aan een onroerende voorheffing die wordt berekend op een bedrag dat gelijk is aan het geïndexeerde kadastraal inkomen (verhoogd met 40% indien hijerniet woont).Het geheven bedrag varieert naargelang het gewest (2,5% van het kadastraal inkomen in het Vlaams Gewest, 2,25% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 1,25% in Wallonië), de agglomeratie, en de gemeentelijke opcentiemen, wat het totale effectieve tarief tussen 18% en 50% van het kadastraal inkomen brengt.

      Ten slotte is de eigenaar of rechthebbende van een eigendom, in tegenstelling tot huurders die slechts voor bepaalde werken moeten betalen, verantwoordelijk voor het betalen van alle noodzakelijke herstellingen aan het eigendom, wat bijzonder hoge kosten met zich mee kan brengen.

      20. De inspectieverslagen van de POD Maatschappelijke Integratie moeten efficiënter worden opgevolgd.

      Het probleem?

      De inspectierapporten van de PODMI worden niet, of althans onvoldoende, opgevolgd. Afgezien van enkele uitzonderingen die voorzien in sancties, sancties die alleen bestaan in de terugvordering of de gedeeltelijke terugbetaling van het leefloon of van de aanvullende GPMI-subsidie. En dat alleen voor de individuele dossiers die zijn gecontroleerd (bv. terugvordering, GPMI, sociaal onderzoek). Er is er geen doeltreffend systeem voor de follow-up van de verslagen van de inspectiedienst. Het OCMW zou moeten worden gesanctioneerd, althans bij herhaling van overtredingen. Ten slotte werden pogingen van de verenigingen op het terrein om onwettige praktijken te melden aan de PODMI (Front Office – juridische dienst) en aan de inspectiedienst geweigerd, hoewel dit zou kunnen of moeten kunnen worden doorgegeven aan deze diensten.

      21. Het systeem voor de toekenning van dringende hulp moet worden geëerbiedigd en verbeterd.

      Het probleem?

      De wettelijke behandelingstermijnen worden zeer vaak niet gerespecteerd en deze zijn al te lang wanneer iemand zich in een urgente situatie bevindt. Bovendien is de mogelijkheid om dringende hulp te verlenen alleen wettelijk vastgelegd voor daklozen.

      De mogelijkheid van dringende hulp zou ook voor andere categorieën begunstigden moeten bestaan,geziende soms grotevertragingenbijdebetaling vanhetleefloon.Erzouookkunnen worden voorzien in “overbruggingsbijstand” in afwachting van de eerste betaling ten laste van de POD. Bij overgang van het ene OCMW naar het andere moet de continuïteit van de steun worden gewaarborgd. Ten slotte lijkt het ook dienstig te voorzien in terugwerkende kracht tot een datum waarop de aanvrager kan bewijzen dat hij/zij behoeftig was (momenteel is slechts in één uitzondering voorzien, in geval van te late toezending door een OCMW dat zich onbevoegd verklaart).

      22. De terugvorderingsprocedure moet worden geëerbiedigd en verbeterd.

      Het probleem?

      Veel OCMW’s kennen ‘terug te betalen’ uitkeringen toe, die in de praktijk via het leefloon worden terugbetaald, hoewel er in principe geen inhoudingen op het leefloon mogen gebeuren.

      Er moet een verbod komen om mensen een schuldbekentenis te laten tekenen met een mandaat tot terugvordering van het leefloon voordat het OCMW de beslissing heeft genomen en meegedeeld. Dit geldt vooral voor de terugvordering van onverschuldigde betalingen (of zogenaamde onverschuldigde betalingen). Het zou ook verboden moeten zijn de betaling op te schorten om de begunstigde onder druk te zetten de schuldbekentenis te ondertekenen. Ten slotte moeten de begunstigden duidelijk worden geïnformeerd over de naleving van de terugvorderingsprocedure.

      23. De regels voor eigendomsoverdrachten moeten beter worden gedefinieerd en er mag niet meer met terugwerkende kracht rekening gehouden worden met eigendomsoverdrachten, aangezien het beginsel is dat rekening wordt gehouden met de werkelijke middelen van de aanvrager.

      Het probleem?

      De regel is niet alleen uiterst complex en vatbaar voor willekeur, maar beoogt ook rekening te houden met goederen en/of middelen waarover de eigenaar in werkelijkheid niet (meer) beschikt, soms al heel lang … Hoewel de veronderstelde doelstelling is om te ontmoedigen dat mensen zich bewust in een situatie van behoeftigheid zetten legitiem is, komt dit in feite neer op het in aanmerking nemen van middelen waarover de leefloongerechtigde niet beschikt.Bovendien levert het in aanmerking nemen van de bedragen die door de overdracht van eigendom zijn ontvangen op het moment dat men reeds het leefloon ontvangt, niet al te veel problemen op (spaargeld, enz.). Maar het in aanmerking nemen met terugwerkende kracht levert daarentegen bepaalde bewijsproblemen op,die onder meer worden veroorzaakt door het feit dat de begunstigde deze bewijseis van het OCMW niet kon voorzien (noch het feit dat hij ooit een vergoeding aan het OCMW zou moeten betalen).

      Wij vragen de afschaffing van de inaanmerkingneming van bedragen die zijn ontvangen via overdracht van eigendom gedurende een periode van 10 jaar voorafgaand aan de aanvraag van maatschappelijke dienstverlening, of, subsidiair, het verhogen van de bewijstolerantie door het creëren van specifieke regels voor bedragen die zijn ontvangen voordat de persoon leefloongerechtigd werd. Wij vragen ook een omkadering voor afwijkingsmogelijkheden van het OCMW zodat deze enkel mogelijk zijn in het belang van de begunstigde. Ten slotte vragen wij dat het OCMW geen interpretatie mag geven over de aanwending van de ontvangen bedragen.

      Nos actions

      Archives

      Catégories

      Contactez-nous

      12 + 13 =

      Siège Social

      225/1 rue du Progrès
      1030 Bruxelles

      Contact

      +32 (0)489 75 76 02

      Numéro de compte

      BE51 0004 3753 4462

      Facebook
      RSS
      Follow by Email